7 punten waarop je een telescooplader altijd moet controleren

Werken met bewegende machines is nooit geheel zonder gevaar. Zeker niet wanneer het om een telescooplader gaat. Om ongelukken zoveel mogelijk te voorkomen, is het noodzakelijk om voor de bediening van het apparaat een controle uit te voeren. In deze blog vertellen wij je welke onderdelen je sowieso na zou moeten lopen.

1. Vervuiling

Een telescooplader staat nooit stil en is daarom aan slijtage onderhevig. Er kan dus altijd een lek ontstaan. Hierbij loop je de kans dat er olie, brandstof of accuvloeistof wegvloeit. Dit kan gevaarlijk zijn. Heb je tijdens jouw controle een lek ontdekt? Ga dan niet direct aan het werk, maar meld dit bij jouw leidinggevende.

2. Onregelmatigheden

Een ongeluk zit altijd in een klein hoekje. Controleer de telescooplader om die reden altijd op deuken, scheuren en andere beschadigingen. Om te voorkomen dat ze uitmonden in grotere mankementen, is het raadzaam om jouw bevindingen bij de leidinggevende neer te leggen.

3. Zichtbaarheid stickers

Telescoopladers worden altijd geleverd met veiligheidsstickers. Deze stickers vind je op praktische plekken op het frame en vertellen je hoe je in bepaalde situaties moet handelen. Het is dan ook belangrijk dat ze niet alleen aanwezig, maar ook goed leesbaar zijn. Is dit niet het geval? Zorg er dan voor dat ze voor jouw dienst gereinigd of vervangen worden.

4. Aanwezigheid handleidingen

Nieuwe telescoopladers zijn altijd voorzien van verschillende bedienings-, onderhouds- en veiligheidshandelingen. Voordat je met het apparaat aan de slag gaat, is het noodzakelijk dat je controleert of deze in de daarvoor bestemde houder zitten. Je vindt deze – uiteraard – in de cabine.

5. Vloeistofniveaus

Een telescooplader wordt vaak intensief gebruikt. Net zoals bij een auto moet er daarom regelmatig gekeken worden naar de verschillende vloeistofniveaus. Denk aan hydrauliekolie, motorolie en koelvloeistof olie. Moet je één van deze vloeistoffen bijvullen? Zorg er dan voor dat je – voordat je alle vulpluggen en – doppen verwijdert – al het vuil en vet van de poorten wegveegt.

6. Hulpstukken en accessoires

Maak je tijdens het bedienen van een telescooplader gebruik van hulpstukken of andere accessoires? Lees dan voor ingebruikname de bijhorende handleiding. Stel vervolgens een protocol op, waarin je ook deze onderdelen op de nodige punten controleert.

7. Operationele controle

Heb je de telescooplader op alle bovenstaande punten gecontroleerd? Dan kan de machine langzaamaan worden ingeschakeld. Tijdens dit proces vindt er een opwarm- en operationele controle op alle systemen plaats.